top

spacerlinks

Introduction

About me

Articles

Quests

Section Medusae

Pictures

Your Pictures

Exchange plants

News

Links

Contact

Home

 

Euphorbia globosa (Haw.) Sims

Rikus van Veldhuisen.

Euphorbia globosa behoort tot een groepje van zes dwergvormige Euphorbia’s uit Zuid Afrika, die alle zes zeer typische en unieke kenmerken binnen het geslacht Euphorbia bezitten. De vegetatieve delen bestaan bij alle zes soorten uit groene kogeltjes, die vooral in cultuur wat langgerekt kunnen worden en hebben cyathia voorzien van honingklieren met vingervormige aanhangsels, die aan de bovenzijde witte wratjes en groefjes hebben. Haworth vond deze kenmerken zo belangrijk dat hij besloot voor deze soort een apart geslacht op te richten, waarmee ze de naam Dactylanthes globosa kreeg, de vingerbloemige bolronde Euphorbia. Later bracht Sims onze globosa toch weer onder bij Euphorbia.

Hoewel Euphorbia globosa niet als eerste van deze zes soorten beschreven is, is ze wel het bekendst en het meest verspreid in onze verzamelingen. Deze plant lijkt het meest op een pot vol met groene pepernoten. De bloemstengels, die meestal gemakkelijk en veel verschijnen, steken er ver bovenuit.
Een van de onhebbelijkheden van Euphorbia globosa is het feit dat cultuurplanten zo sterk afwijken van natuurplanten. Niet alleen worden cultuurplanten veel groter, ook de individuele stengelleden blijven in cultuur niet kogelrond, maar nemen meer de vorm aan van langgerekte stammetjes. En dit is nota bene het feit waaraan deze soort haar naam dankt. Het etioleren van de stengelleden zou onder de Nederlandse klimaatomstandigheden niet te voorkomen zijn. De lichtintensiteit is hier natuurlijk veel lager dan in Zuid Afrika. Eigen observatie in de natuur maakte echter duidelijk dat ze ook op haar natuurlijke groeiplaatsen langgerekte stengelleden maakt. Ook hadden meerdere planten verdroogde stengelleden, hetgeen planten kleiner houdt natuurlijk. Euphorbia globosa is buitengewoon gemakkelijk te vermeerderen. Als U enkele stengelleden afbreekt, deze een paar dagen te laat drogen op een droge en schaduwrijke plaats en deze daarna oppot zullen ze snel bewortelen.
Er is een groot aantal Euphorbia’s die alleen vanuit zaad in hun natuurlijke vorm uitgroeien. Een stek maakt namelijk geen nieuwe hoofdspruit. Voorbeelden hiervan zijn de Medusa’s, zoals E. inermis en knolvormige soorten, zoals E. stellata. Na vernomen te hebben dat ook E. globosa een forse bietvormige knol maakt in de natuur en gezien het feit dat mijn uit stek vermeerderde planten alleen wat verdikte wortels hadden, was het besluit snel genomen om enkele E. globosa’s met elkaar te bestuiven en zaden te winnen. Het geeft nu eenmaal extra voldoening om planten te kweken die er zo natuurlijk mogelijk uitzien.
De aldus geproduceerde zaailingen vormden inderdaad prachtige plantjes met mooie bolvormige stengelleden. Helaas groeiden er later weer de langwerpige geetioleerde stengelleden aan. De zaailingen zagen er precies zo uit als de afbeelding in White, Dyer & Sloane, Plate XII. De in de natuur verzamelde plant laat een bietvormige hoofdwortel zien met daaraan enkele rolronde stengelleden en vervolgens langwerpige stengelleden, die vaak bloemstelen dragen. Het zou goed kunnen dat in de natuur de langwerpige stengelleden in de droge tijd verdrogen. Ik heb mijn zaailingen in hangpotten opgepot en gedurende twee jaar slechts een maal per jaar iets water gegeven. Hoewel de planten zeer sterk verschrompelden en er wel enkele stengelleden verdroogden, bleef veruit het grootste gedeelte van de plant in leven. Ze zijn bij wijze van spreken niet dood te krijgen. De snoeischaar heeft uitkomst gebracht en de plantjes zien er nu heel natuurlijk uit met mooie ronde bolletjes. En niet in de laatste plaats, bij het verpotten hadden enkele zaailingen een mooie dikke bietvormige wortel, echter bij sommige zaailingen waren alleen draadvormige wortels aanwezig, net zoals bij een stek.
Een opvallend verschijnsel is ook de variatie van de lengte van de bloemstelen die soms zeer kort zijn, minder dan een centimeter en die soms wel meer dan 20 centimeter bedraagt, zelfs aan één en dezelfde plant. Aan de langere bloemstelen worden soms nieuwe vegetatieve stengelleden gevormd die na verloop van tijd door hun gewicht op de grond zakken, nieuwe wortels maken en een nieuwe plant vormen.
E. globosa komt voor in de Oostelijke Kaapprovincie en altijd binnen 20 kilometer afstand van de kust. Wij vonden E. globosa in de omgeving van Port Elizabeth en nabij Addo. Nabij Port Elizabeth groeit E. globosa in een omgeving met een zeer rijke succulente flora. Op geen enkele andere vindplaats troffen wij zeven verschillende soorten bij elkaar groeiend op één plaats. Naast Euphorbia globosa, die wij pas na langere tijd zoeken konden lokaliseren, vonden wij in de onmiddellijke omgeving E. gorgonis, E. stelllata, E. silenifolia, E. polygona E. pubiglans en E. mauretanica. Verder troffen wij Pelargonium lobatum, P. spec., Microloma tenuifolium, Pachycarpus grandiflorus, Aloe lineata, Haworthia fasciata, een prachtige terrestrische orchidee en enkele soorten Mesems.
Bij de bespreking van deze soort vermelden White, Dyer & Sloane over het voorkomen van E. globosa; ‘ abundant in the karroid scrub between Uitenhage and Port Elizabeth, sometimes forming uniform mats of the dwarf branche-tips in such masses that is difficult for the passer-by not to tread on them.’ Gerhard Marx spreekt heden ten dage van ‘quite rare’ en in een editorial van Aloe, het Zuid Afrikaanse vetplantentijdschrift, word zelfs gesproken over een nagenoege onmogelijkheid om deze soort in de natuur te vinden. Hoewel zeer goed verscholen is E. globosa naar onze ervaring nog wel degelijk te vinden in de natuur. Toch kent deze soort in de laatste 50 jaar, op basis van de ons beschikbare gegevens, een schrikbarende achteruitgang. De oorzaken hiervan zouden onderzocht moeten worden en wellicht dat dit onderzoek kan leiden tot het veiligstellen van haar voorkomen in de natuur.

Hoewel Euphorbia globosa al in 1823 als Dactylanthus globosa door Haworth is beschreven, en in 1826 door Sims in het geslacht Euphorbia werd geplaatst, is zij niet de oudste Euphorbia in het groepje Euphorbia’s met de vogelpootjes-achtige bloemen. Deze eer valt E. tridentata Lamarck te beurt, welke al in 1786 werd beschreven. Linnaeus vermeldde ze zelfs al in 1753. De informatie over wie deze soort heeft ontdekt en hoe ze in Europa is gekomen is verloren gegaan, waarschijnlijk omdat dit alzo vroeg in de achttiende eeuw heeft plaatsgevonden.
Hoewel Euphorbia tridentata in de natuur bijzonder veel lijkt op E. globosa en E. ornithopus, is ze goed te onderscheiden door de wijze waarop de bloemstelen op de planten verschijnen. De bloemsteel groeit namelijk eindstandig op een stengellid en is zeer kort of zelfs geheel afwezig en staat alleen. Deze korte bloemstelen zijn in tegenstelling met de lengte van de stengelleden in cultuur. Mijn planten vertonen nog de meeste overkomst met een Stapelia met liggende stammetjes. Geen enkel stengellid ziet er ook maar min of meer bolvormig uit, zoals dat in de natuur gebruikelijk is. Verder is het bloeien in cultuur een zeldzaamheid, tenminste bij mij, dus ik ben nog niet in de gelegenheid geweest om zaailingen van deze soort te kweken.
Euphorbia tridentata groeit ten noorden van Grahamstown in kleine en geïsoleerde kolonies. Een paar honderd kilometer meer naar het westen zou ze ook groeien in de omgeving van Steytlerville.

De derde soort is Euphorbia ornithopus, wat zoveel betekend als “vogelpoot Euphorbia”, en werd in 1809 beschreven door Jacquin. Naast de grote overeenkomsten in de groeivorm wijkt ook zij in de bloeiwijze af van de beide voornoemde soorten. E. ornithopus maakt een bloeiwijze die ook eindstandig aan een stengellid groeit en bestaat meestal uit drie cyathia. Het verschil bestaat uit het aantal honingklieren die per cyathium gevormd word. E. ornithopus heeft er normaal 4, soms 5, terwijl E. tridentata er normaal 5 heeft en soms zelfs 6. Volgens White, Dyer & Sloane is het significante verschil dat in die gevallen dat E. ornithopus een cyathium ontwikkeld met 5 honingklieren deze altijd alleen mannelijke bloemen heeft en wanneer er zoals gewoonlijk 4 honingklieren ontwikkeld zijn, dit cyathium zowel mannelijk als vrouwelijk is.
Zowel E. ornithopus alsook E. tridentata maken ondergrondse uitlopers. Een enkele plant kan zo een oppervlakte van wel enkele vierkante meters beslaan. Het lijkt wel alsof Zwarte Piet een handvol groene pepernoten heeft gestrooid.
Euphorbia ornithopus groeit ten noorden van Grahamstown, wij vonden haar daar tezamen met E. melormis en E. cumulata. White, Dyer and Sloane vermelden ook de omgeving van Cradock als haar natuurlijke standplaats. Ook daar vonden wij dergelijke planten in gezelschap van E. micracantha. Deze planten hebben 5 honingklieren en een eindstandig cyatium per stegellid. Hoewel het plantenlichaam wat afwijkend is, lijken deze planten echter tot E. tridentata te behoren.

De vierde en tevens de laatste uit de Oostelijke Kaapprovincie is Euphorbia polycephala werd pas in 1931 is beschreven door Marloth. Deze Euphorbia is veruit de grootste van de genoemde soorten en het is verwonderlijk dat een klein en moeilijk te vinden plantje als E. tridentata al 200 jaar eerder bekend was en een grote kussenvormende soort als E. polycephala zo lang moest wachten op haar botanische ontdekking. Deze plant werd door de boeren gebruikt als veevoeder is droge tijden, hoewel ze niet smakelijk is en buikklachten tot gevolg heeft. Waarschijnlijk is deze geschiktheid als veevoeder de reden voor haar huidige zeldzaamheid. In recente succulentenliteratuur zijn vele artikelen te vinden die Euphorbia polycephala als onderwerp hebben. Allen maken melding over haar zeldzaamheid en haar bedreigd voortbestaan in de natuur.
Wij waren dan ook buitengewoon fortuinlijk een gezonde kolonie aan te treffen ten westen van Cradock. Deze kolonie bestond uit ongeveer 25 planten, die allen in zeer goede conditie leken te zijn. Bovendien bloeiden de meeste planten en droegen vele planten zaadbessen. Dit in tegenstelling tot de situatie die in genoemde literatuur wordt geschetst, waarin sprake is van een sterke afname van het aantal planten, vooral door diervraat. Helaas konden wij geen jonge planten vinden in deze kolonie.

In dezelfde publicatie van 1931 waarin E. polycephala werd beschreven, is tevens een zeer nauw verwante soort beschreven, namelijk Euphorbia wilmaniae, de vijfde van de beloofde zes soorten. Hoewel de overeenkomsten tussen beide soorten groot is liggen de natuurlijk groeiplaatsen bijna aan de andere kant van Zuid Afrika, namelijk in Griqualand West, zo’n 500 kilometer ten noorden van Port Elizabeth. Verbazingwekkend genoeg bestaat er nog een tweede verspreidingsgebied van deze soort, maar dan meer dan 500 kilometer naar het westen in het Richtersveld. Deze totaal verschillende vindplaatsen met geheel andere klimaatsfactoren kunnen volgens mij moeilijk een en dezelfde soort huisvesten. Het zou buitengewoon interessant zijn om van beide vindplaatsen deze planten eens naast elkaar te kweken en te vergelijken.
Zelf bezit ik pas sinds kort een stekje van deze soort maar ik weet haar herkomst (nog) niet. Ze schijnt eenvoudig te kweken te zijn.

De laatste soort om het zestal compleet te maken in de sectie Dactylanthes is Euphorbia planiceps. Ook deze soort komt uit Griqualand West en is zeer nauw verwant met E. wilmanae. Slechts haar groeivorm, een dikke penwortel met een platte kop van vele stengelleden tot maximaal een doorsnee van 30 centimeter, terwijl E. wilmanae meer een losse zede vormt. Ernst Specks heeft vorig jaar zaailingen in omloop gebracht, waarvan ik er twee heb weten te bemachtigen. Het lijken zeer interessante plantjes, die wat de groeivorm betreft, erg veel op een vingerpol lijken.

Al deze zes soorten zijn dus momenteel vertegenwoordigd in cultuur en ze zijn niet al te moeilijk om te kweken. Om planten te kweken met een zo natuurlijk mogelijk uiterlijk, kweek ik ze boven in de nok van de kas naast de Ariocarpussen. Daar staan ze ook in de winter, want ze zijn niet erg koudegevoelig. Ze krijgen spaarzaam water en op deze wijze groeien ze niet erg hard en lijken de meeste soorten tenminste nog enigszins op natuurplanten. Euphorbia globosa en E. ornithopus zullen bovendien veelvuldig hun bloemen laten zien en zoals gezegd, probeer het eens met zaailingen. Deze planten zullen, mits hard gekweekt, er veel natuurlijker uitzien.

 

Literatuur:
- Court Doreen, (1988), Euphorbia polycephala at Cranemere, The Euphorbia Journal, Vol. 5, page 39 – 42.
- Marx Gerhard, (1992), The Succulent Euphorbias of the Southeastern Cape Province, Part 1, The Euphorbia Journal, Vol. 8, page 74 – 102.
- N. n., (1985), Identifying features, continued, The Euphorbia Journal, Vol. 3, page 76.
- Pritchard Daphne, (1996), Euphorbia polycephala, a Rare and Endangered Plant, The Euphorbiaceae Study Group Bulletin, Vol. 9, No. 1, page 14 – 19.
- Pritchard Daphne, (1996), Rooikop Revisited, The Euphorbiceae Study Group Bulletin, Vol. 9, No. 2, page 68.
- Pritchard Daphne and Albert, (1997), Further Notes on Euphorbia polycephala, The Euphorbiaceae Study Group Bulletin, Vol. 10, No. 3, page 83 – 86.
- Pritchard Daphne and Albert, (1998), A Survey of the Habitats of Euphorbia polycephala, British Cactus and Succulent Journal, Vol. 16, No. 4, page 190 – 192.
- White A., Dyer R. A., Sloane B. L., (1941), The Succulent Euphorbiae (Southern Africa), 2 Vols.

Fotos Jaap Keijzer.
117. Goed verborgen en goed aan de groei. Euphorbia globosa, noordwestelijk van Port Elizabeth.
118. Schoonheid in miniatuur, E. globosa in bloei.
165. Euphorbia tridentata westelijk van Mortimer in volle bloei.
164. In vergelijking zijn de zaadbessen van Euphorbia tridentata erg groot.
75. Euphorbia ornithopus, 20 kilometer noordelijk van Grahamstown langs de weg naar Bedford.
172. De groeiplaats van Euphorbia polycephala is boven op een heuvel, blootgesteld aan weer en wind.
173. Euphorbia polycephala groeiend op een harde ondergrond, waardoor de plant meer bovengronds groeit.
176. Op dezelfde groeiplaats groeien ook planten teruggetrokken in de grond.
177. Planten bloeien niet overdadig, maar wel langdurig, gezien het feit dat er ook zaadbessen aanwezig zijn.

 

 

spacer