top

spacerlinks

Introduction

About me

Articles

Quests

Section Medusae

Pictures

Your Pictures

Exchange plants

News

Links

Contact

Home

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Happiness is a state of Euphorbia

Rikus van Veldhuisen.

“Happiness is a state of Euphorbia” staat er op de toegangsdeur van de kas van Jaap Keijzer. Ik moet echter toegeven dat dit echter de halve waarheid is. Soms zijn er echter ook diepe dalen als het restant van je duur gekochte plantjes na heel wat gemartel in de vuilnisbak verdwijnen. Zonder deze dalen zouden er echter ook geen bergen zijn.

Zoals alle liefhebbers heb ik ook zo nu en dan enige euforie nodig om het plezier in het kweken en vermeerderen van Succulenten te behouden. Het verleggen van de grenzen in je hobby is nodig om de interesse vast te houden. Was ik als beginnend liefhebber jaren terug in de weer op een willekeurige cactusbeurs met een bak vol planten, nu is het vaak niet meer dan één enkele plant. Thuis gekomen met deze bakken vol succulenten van vele diverse geslachten gaf het succesvol verder kweken van deze planten grote voldoening. Het duurde niet lang voordat elke spruit die verscheen gestekt moest worden en zaaien was de volgende logische stap. Het verkrijgen van een breder assortiment, vaak van die geslachten waar je succesvol mee bent, leidt tot specialisatie en het onderhouden en uitbreiden van een dergelijke gespecialiseerde verzameling is voor velen van ons een doel op zich en houdt ons jaren van de straat.
Het zoeken en vinden van onze troetelkinderen in hun natuurlijke omgeving is niet voor iedereen weggelegd, maar geeft een geheel nieuwe dimensie aan de liefhebberij. Ik kan U vertellen dat het een enorme kick geeft als je na een soort jacht je doel bereikt hebt en de prooi is vastgelegd met de camera.
Waar ik echter in dit artikel naar toe wil is naar de ultieme uitdaging voor de gespecialiseerde Euphorbialiefhebber, het kweken en succesvol zaaien van de groep soorten rond Euphorbia horwoodii uit de hoorn van Afrika. Deze groep planten is zeer geliefd bij de gespecialiseerde liefhebber door de bijzonder gespecialiseerde en mooie groeivormen, wispelturigheid in de cultuur en vermeende zeldzaamheid.

Euphorbia horwoodii.
De genoemde E. horwoodii is eigenlijk alleen bekend als geënte plant en dan alleen in de volwassen vorm. Deze plant maakt echter een zeer interessante ontwikkeling door van zaailing naar volwassen plant. Ze vormt als zaailing namelijk eerst een bolvormige plant, vergelijkbaar met E. piscidermis, E. turbiniformis, maar ook met de niet nauw verwante E. obesa en E. symmetrica uit Zuid Afrika. Echter daar waar deze soorten bolvormig blijven, vormt E. horwoodii op latere leeftijd bedoornde zijtakken. Tom Jenkins spreekt in zijn artikel over E. horwoodii heel terecht over de twee gezichten die deze soort heeft.
Deze zijtakken worden in de cultuur middels enten vermeerderd en zijn momenteel redelijk eenvoudig te verkrijgen. Hoewel de bolvormige jeugdvorm van E. horwoodii zeer tot de verbeelding spreekt zijn ook geënte planten bijzonder fraai. Ze vormen na verloop van tijd onregelmatig vertakte struikjes met fraai getekende stammen. Bovendien zijn er verschillende vormen in omloop die behoorlijk van elkaar kunnen verschillen. Zo heeft B&L589 dunnere takjes met groenere tekening en iets gekromde doorns. Erg mooi vind ik persoonlijk een vrijwel geheel grijze vorm.
Het via zaad vermeerderen van E. horwoodii blijft echter de uitdaging op zich. Bij een recent bezoek aan Jaap Keijzer toonde hij mij de inmiddels éénjarige zaailingen van E. horwoodii. Een meer dan verdienstelijke prestatie om deze zeer moeilijk te zaaien en zeer kwetsbare zaailingen het eerste moeilijke jaar door te krijgen.

Zoals de jeugdvorm van E. horwoodii hebben ook E. piscidermis, E. turbiniformis en E. gymnocalycioides de meest optimale succulente groeivorm, namelijk de bolvorm. Vele van u zullen gedacht hebben dat de laatstgenoemde bolvormige planten niet nauw verwant zullen zijn met E. horwoodii. Er zijn echter een aantal opvallende gemeenschappelijke kenmerken, zoals de al besproken bolvormige jeugdvorm van E. horwoodii. Maar ook de zaailingen zijn wat het uiterlijk betreft nauwelijks uit elkaar te houden. Verder is zowel het zaad als de zaailing zeer klein voor een Euphorbia. De lege zaadhuid blijft op het kiemplantje zitten, maar ook zand en dergelijke kleeft aan het plantje. Dit zou een hele goede bescherming kunnen zijn tegen het extreme klimaat waar deze planten van nature groeien. De temperaturen kunnen er erg hoog oplopen en bovendien schijnt het er altijd te waaien. Het verwijderen van deze bescherming zou het einde betekenen voor de zaailing. Jonge zaailingen van E. gymnocalycioides en E. piscidermis maken eerst een tijdje kleine doorntjes, die op latere leeftijd geheel verdwenen zijn. Ook de bloeiwijze en vruchten vertonen opvallende overeenkomsten, dus is er mijns inziens niet veel op tegen om ze in één verwante groep te plaatsen.

Euphorbia piscidermis.
Was Euphorbia piscidermis enkele jaren terug nog een echte rariteit waar je diep voor in de buidel moest tasten, nu is ze op vrijwel elke beurs verkrijgbaar. Deze soort is massaal vermeerderd, niet in de laatste plaats voor de handel. Na slechts enkele maanden na het enten heeft men al een verkoopbare plant. Als men het groeipunt van een geënte plant beschadigd vormt ze snel vele kopjes, die elk opnieuw geënt kunnen worden. Ze is dan wel geen rariteit meer, uniek is ze nog steeds. Een wit bolletje met een ingedeukte kop, die geheel bedekt is met visschubben. Er is binnen het geslacht Euphorbia geen enkele soort die er mee te verwarren is. Opvallend genoeg lijkt juist een cactus uit Mexico nog het meeste op haar, namelijk Pelecyphora strobiliformis.
Euphorbia piscidermis is in de zeventiger jaren gevonden in de Ogaden Regio tussen Ethiopië en Somalië en beschreven door Mike Gilbert.
Inmiddels hebben enkele liefhebbers in Nederland succes met het zaaien van deze mooie soort en het is te hopen dat ook zaailingen van E. piscidermis een gewonere verschijning wordt in onze verzamelingen.

Euphorbia turbiniformis.
Euphorbia turbiniformis is nog steeds zeer schaars in onze verzamelingen. Alhoewel ze wel steeds vaker te koop wordt aangeboden is de aanschafprijs vaak behoorlijk fors. Deze soort is al in 1936 door Chiovenda beschreven in “Flora Somala’. Deze Italiaanse publicatie was in de vergetelheid geraakt ondanks het feit dat het hier om een spectaculaire soort gaat. In 1969 bezocht John Lavranos voor de derde keer Somalië en maakte hij een tussenlanding in Eil. De landing, slechts bedoelt om brandstof in te nemen, duurde niet langer dan 10 minuten. Het zou het hoogtepunt van die reis worden. Toen hij uit het vliegtuig stapte om even de benen te strekken werd zijn aandacht getrokken door een bloeiende Ipomoea. Bij deze knolvormende plant en op de landingsbaan vond John Lavranos Euphorbia turbiniformis. Door tijdgebrek kon hij slechts een paar exemplaren verzamelen, maar een jaar later werden er vele verzameld en door de I.S.I. verspreid onder succulentenliefhebbers. Het bleek echter dat ze bijna niet te kweken waren op eigen wortel en vrijwel niemand had de moeite genomen ze te enten. In de negentiger jaren van de vorige eeuw is ze met name door Oost-Europeanen naverzameld. Nakweek van deze planten is nu verkrijgbaar bij enkele kwekerijen en liefhebbers. Helaas moeten we constateren dat op de natuurlijke vindplaats deze soort vrijwel geheel verdwenen is, terwijl in het reisverslag van John Lavranos nog gesproken wordt over ‘abundantly’, overvloedig, een droevig verhaal dus. Het is te hopen dat er nog andere vindplaatsen zijn die (nog) niet ontdekt zijn. Je zou bijna hopen dat dat ook maar zo blijft.

Alle soorten uit deze groep hebben de lastige bijkomstigheid dat ze pas laat in het seizoen aan bloeien beginnen te denken. Je hebt dus een mooi najaar nodig om de zaden goed te laten rijpen. Maar bij een minder mooi najaar rijpen niet alleen de zaden slecht af maar zijn deze planten ook behoorlijk gevoelig voor schimmel- en bacterie-infecties op het moment dat de bloemsteeltjes verdrogen. Dus het moment dat je denkt dat je eindelijk eens kan gaan proberen om ze te zaaien, ben je ineens je oude planten kwijt.

Niet alleen Euphorbia piscidermis is makkelijker te verkrijgen, nog een aantal soorten uit deze groep zijn ruimer voorhanden. Ook Euphorbia sepulta, multiclava, columnaris, dasyacantha, inaequispina, phillipsiae, phillipsioides, mitriformis en mosaica kan men bij gespecialiseerde kwekers tegen komen. Van deze soorten zijn bovendien bij diverse gespecialiseerde liefhebbers ook zaailingen te bewonderen. Ook zijn deze soorten zeer interessant en heeft elke soort wel iets bijzonders.
Zo groeien de zaailingen van Euphorbia sepulta uit tot een clustertje van ronde kopjes die net boven de grond uitsteken. Qua groeivorm lijkt ze nog het meest op E. susannae.
Euphorbia multiclava wordt vrijwel alleen in geënte vorm gekweekt, toch is ze goed te stekken en ook het zaaien van deze soort is goed mogelijk. Het meest bijzondere van deze soort is echter dat de groeipunten zich dichotoom delen. Dit verschijnsel kennen we ook bij Mammillaria, bij Euphorbia is echter bij mijn weten geen enkele andere soort die dit ook doet. Een leuke waarneming bij het zaaien van deze soort wil ik U niet onthouden. Geënte planten van E. multiclava zijn allen zeer gelijkvormig in hun uiterlijke kenmerken. Zaailingen vertonen echter een behoorlijke variatie in aantal ribben, bedoorning en dikte van de stengels.
Euphorbia columnaris lijkt nog het meeste op een zuilvormige Cereus. Rauh noemde in zijn boek ‘Die groBartige Welt der Sukkulenten’ deze soort de zeldzaamste soort Euphorbia in cultuur. Toen dit boek geschreven werd waren er slechts drie klonen in cultuur. Deze onvertakte zuilen met hun merkwaardige gebogen Y-vormige doorns zijn ook in de natuur zeer zeldzaam. In cultuur hebben de kwekers echter niet stil gezeten en is ze momenteel in ruime mate beschikbaar voor de geïnteresseerde liefhebber. Planten van 2 meter hoog, wat ze in de natuur kunnen bereiken, heb ik echter nog nooit gezien.

Euphorbia prona.
Na deze zeer korte behandeling van de wat beter verkrijgbare soorten wil ik bij enkele zeer moeilijk te verkrijgbare soorten wat langer stilstaan. Euphorbia prona, die ook in omloop is met als aanduiding E. spec. Cape Guardafui, behoort tot de echte rariteiten op dit moment. Deze soort maakt veel bloemstengels, die zelf ook weer vertakken. Na verloop van tijd zitten deze groeisels als gezwellen op de stammetjes. Bloeien doen ze echter zelden en ook vertakken doen ze spaarzaam. Deze combinatie maakt het dat ze in cultuur voorlopig wel zeldzaam zal blijven.
In een ultieme poging deze soort te vermeerderen hebben we stukken van deze doorgroeiende bloemstengels geënt op E. canariensis en inderdaad na meer dan een jaar groeiden er toch ineens spruiten met doorns aan de geënte bloemstelen. Als een soort signaal vertakten toen, zij het spaarzaam, ook enkele normaal geënte planten.

Euphorbia ponderosa.
Euphorbia ponderosa is met haar dikke grijze takken een bijzonder mooie soort. De zaailingen zijn voorzien van een fraaie tekening en dragen een vrij dichte dunne bedoorning. Na deze jeugdvorm maken ze echter korte dikke witte doorns.

Euphorbia atrox.
Euphorbia atrox maakt zeer dicht vertakte struikjes, die de grootte van een voetbal kunnen bereiken. De stammetjes zijn opvallend helder groen, maar vormen vrij snel bruine vlekken als ze niet op een voldoende lichte plaats staan. Ze zijn nogal gevoelig en oude planten zijn een echte zeldzaamheid, laat staan op eigen wortel.

Euphorbia eilensis.
Opvallend kleine dicht-vertakte struikjes maakt Euphorbia eilensis, die slechts bekend is van één enkele vindplaats. Zelfs geënt heeft deze plant echt kuren en bij de minste onregelmatigheid in de cultuur ben je weer een (deel van je) plant kwijt.

Binnen het zo bijzonder veelvormige geslacht Euphorbia vertoont zelfs een nauw verwante groep soorten rond Euphorbia horwoodii bijzonder veel variatie en specifieke unieke kenmerken. Dat maakt ze natuurlijk bijzonder interessant voor de liefhebber. Als deze soorten daarbij ook zeer zeldzaam en lastig te kweken zijn, wordt hun aantrekkelijkheid alleen maar groter. De voldoening is dan nog groter wanneer je erin slaagt deze soorten succesvol te kweken en te vermeerderen. En dat is wat onze hobby zo boeiend maakt.

Literatuur;
Carter, S. (1992), Some Unresolved Problems of Somali Euphorbia Species, Coll. Bot. (Barc.) 21.
Carter, S. (1978), Succulent Euphorbias of Somalia – 3, Cactus and Succulent Journal (U.S.), Vol. 50, bladzijde 25 – 29.
Chiovenda, E. (1936), Euphorbia (Meleuphorbia) turbiniformis Chiov. Sp. Nova, Flora Somala, Vol. 3, bladzijde 304.
Gilbert, G. & Carter, S. (1984), A Cactus-like Euphorbia from Ethiopia, Bradleya 2, bladzijde 9 – 14.
Jenkins, T. (1998), Two Faces of Euphorbia Horwoodii, British Cactus and Succulent Journal, Vol. 16, bladzijde 221.
Lavranos, J. J. (1971), Notes on the Succulent Flora of North East Africa and Southern Arabia, Cactus and Succulent Journal (U.S.), Vol. 43, bladzijde 236 – 238.
Marx, G. (1990), Growing Mandelas, Cactus and Succulent Journal (U.S.), Vol. 62, bladzijde 289 – 293.
Marx, G. (1992), Euphorbia horwoodii Carter & Lavranos, The Euphorbia Study Group Bulletin, Vol. 1, bladzijde 23 – 26.
Trager, J. N. (1983), The Salvation of an Endangered Euphorbia, Cactus and Succulent Journal (U.S.), Vol. 55, bladzijde 246.
The Euphorbia Journal, Vol. 1 – 10, diverse artikelen.


Foto’s gemaakt door Jaap Keijzer.
Foto 1, bloeiende geënte Euphorbia atrox. Het duurt jaren voordat een plant deze omvang heeft bereikt.
Foto 2, een spruitende Euphorbia prona.
Foto 3, Euphorbia ponderosa met haar opvallende witte bedoorning.

 


spacer