top

spacerlinks

Introduction

About me

Articles

Quests

Section Medusae

Pictures

Your Pictures

Exchange plants

News

Links

Contact

Home

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Euphorbia polygona

Rikus van Veldhuisen.

De veelribbige Euphorbia polygona, die zijn naam eer aan doet, is al sinds 1790 in cultuur in Europa en nog steeds wordt ze in grote aantallen gekweekt. Dit geeft wel aan dat ze meer dan de moeite waard moet zijn, want anders was ze allang in het vergeetboekje genoteerd.

In de eerste plaats is ze niet veeleisend in de cultuur. Ze is niet kougevoelig in de rustperiode en kan zonder problemen met de cactussen in een vorstvrije kas overwinterd worden. Een zeer lichte standplaats en wat klei of leem door het grondmengsel doet haar wel zichtbaar plezier. Ze kan dan uitgroeien tot een indrukwekkend cluster van stammen die spruit vanuit de basis. Bij een cultuur van te veel voeding en water en te weinig licht zal ze echter vrij snel etioleren, dit is weke dunne groei, en nog maar weinig doorns maken. Dit komt de schoonheid van de planten zeker niet ten goede. In onze verzamelingen komen zwaar en minder zwaar bedoornde vormen voor. In de natuur heb ik alleen de, in mijn ogen, veel mooiere, zwaar bedoornde vorm waargenomen. Goed gekweekte planten zijn een lust voor het oog en een waardevolle aanvulling voor iedere verzameling.
Ook is ze erg eenvoudig te vermeerderen. De spruiten bewortelen gemakkelijk en ook zaaien is niet moeilijk. Om soortzuiver zaad te krijgen is extra oplettendheid geboden, want ze vormt zeer eenvoudig kruisingen met verwante soorten.
Een andere reden dat gespecialiseerde liefhebbers haar kweken, is dat ze gebruikt wordt als waardplant. Er is namelijk een bepaalde soort maretak, Viscum minimum, die leeft ten koste van o.a. onze plant. Viscum minimum is een parasiet die voor het grootste deel in de stammen van E. polygona groeit en alleen als ze bloeit met kleine groene puntjes door de opperhuid van onze Euphorbia heen groeit. Als de hele kleine groene bloempjes bevrucht worden, worden knalrode bessen gevormd, die erg decoratief zijn. Net zoals de in het zuiden van ons land voorkomende maretak, Viscum album, worden die bessen ook verspreid door vogels, die de erg kleverige zaden van hun snavel afvegen, hopelijk op een nieuwe geschikte waard. In onze verzamelingen zouden de potten, waarin deze combinatie gekweekt wordt, voorzien moeten worden van twee etiketten (goede zaken dus voor de heren De Lange en De Jonge).

Euphorbia polygona is bijna twee eeuwen geleden beschreven, in 1803 door Haworth. Het is niet verwonderlijk dat ze meteen gevonden werd, zodra iemand, die in planten geïnteresseerd was, het gebied bezocht. Ze is namelijk zeer algemeen en opvallend aanwezig op haar natuurlijke groeiplaatsen. Deze zijn in de Port Elizabeth, Albany en Uitenhage districten. Ze heeft een duidelijke voorkeur voor berghellingen en vormt aldaar imposante groepen van soms wel meer dan 20 stammen, die elk hoger dan een meter kunnen worden. Op de vindplaatsen die uw schrijver bezocht, was ze een van de meest dominant aanwezige planten, te samen met Aloe ferox en Euphorbia triangularis. Een bezoek aan een dergelijke groeiplaats van Euphorbia polygona is zeer indrukwekkend en een hoogtepunt voor iedere liefhebber, die op succulentensafari is.

Evenals Euphorbia stellaespina behoort Euphorbia polygona tot de groep Pedunculathae. Voor een beschrijving van de groepskenmerken van deze Pedunculathae verwijs ik u naar het artikel over E. stellaespina (1997). Binnen deze groep maakt E. polygona weer deel uit van een drietal soorten, die zeer nauw verwant zijn. Deze drie soorten hebben een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat de bloeiwijze-doorns, die normaal slechts enkel verschijnen uit een bloemoog, met meerdere tegelijk uit een bloemoog kunnen verschijnen.
De tweede soort van deze drie is een goede bekende voor de meeste van ons, namelijk E. horrida. Ze kenmerkt zich t.o.v. E. polygona door een veel grovere groeivorm te hebben. Ze komt meer verspreid voor, op meer naar het westen gelegen groeiplaatsen. Ze is daar echter veel zeldzamer. Ook kent E. horrida een grote variatie in vormen en heeft dus nogal wat apart beschreven vormen, die we ook in onze verzamelingen terug kunnen vinden. Het voert hier te ver om hierop in te gaan, want daar is wel een heel artikel over vol te schrijven. Wel dient vermeld te worden dat ook White, Dyer and Sloane (1941) al spreken van diverse overgangsvormen tussen E. polygona en E. horrida. Het ware wellicht beter geweest om E. horrida als ondersoort of variëteit te beschouwen van de eerder beschreven Euphorbia polygona.
De derde soort, die hierbij betrokken is, is Euphorbia inconstantia. Alhoewel we de opgegeven vindplaats nabij Hell’s Poort, ten noordwesten van Grahamstown, hebben bezocht, konden we haar niet vinden. Ook zij heeft meerdere bloeiwijze-doorns, groeiend vanuit één bloemoog, echt lang niet in die mate als de beide andere soorten. In mijn verzameling staat een plant, waarbij je echt goed moet kijken om een voorbeeld te vinden.
Verder is deze soort erg variabel in een aantal kenmerken, soms enkel groeiend, dan weer sterk spruitend, vruchten die wel of niet behaard zijn, enz. Over het feit dat het een ‘echte’ soort betreft is dientengevolge nogal wat discussie. Dit wordt versterkt door het feit dat ze altijd in de nabijheid groeit van zowel E. polygona en E. pentagona. En inderdaad, met enige fantasie vormt E. inconstantia een tussenvorm van E. polygona en E. pentagona. Opvallend is echter de blauwgroene kleur van de stammen, die geen van beide genoemde ouders heeft.

Euphorbia polygona is een prachtig voorbeeld van convergentie, d.w.z. een parallelle ontwikkeling, met sommige soorten cactussen. Namelijk onder min of meer gelijke omstandigheden, ontwikkelen totaal niet verwante soorten zich tot planten, die uiterlijk grote overeenkomsten vertonen. Aangezien ook de cultuur omstandigheden niet wezenlijk verschillen met die van cactussen, dan is het niet verwonderlijk, dat deze Euphorbia zoveel gekweekt wordt. Ze is U er dankbaar voor.

Literartuur:
Goebel, Thomas, 1978, Viscum minimum Harvey in der Sukkulentensammlung der Stadt Zuerich, Kakteen und andere Sukkulenten, Jaargang 29, No. 1.
White A., Dyer R. A., Sloane B. L., 1941, The Succulent Euphorbiae (Southern Africa), 2 vols.
-Veldhuisen, Rikus van, 1997, Euphorbia stellaespina, Succulenta, Jaargang 76, No. 5, p. 200-203.

Afbeeldingen:
76. Euphorbia polygona op de begroeide rotshellingen van Hellspoort in de Oostelijke Kaapprovincie.
77. Een plant met prachtige in een spiraal gedraaide ribben, Hellspoort.
99. Een prachtige cluster, meer dan een meter hoog, groeiende op de weg naar Committees Drift, oostelijk van Grahamstown. Deze vorm heeft dunnere stammen, dan die van Hellspoort.
- - Een bloeiende tak van Euphorbia inconstantia in de verzameling van de schrijver. Foto A. v.d. Snee.
Overige foto’s van de auteur.


spacer