top

spacerlinks

Introduction

About me

Articles

Quests

Section Medusae

Pictures

Your Pictures

Exchange plants

News

Links

Contact

Home

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Euphorbia subgenus Euphorbia sectie triacanthium Jacobsen

Rikus van Veldhuisen

In deze reeks artikelen wil ik u de vormengroep rond Euphorbia triaculeata voorstellen. Deze soorten komen voor in de hoorn van Afrika en het Arabisch schiereiland. Ze kenmerken zich door een korte dikke hoofdspruit met vele zijarmen, overeenkomstig met de medusa-soorten uit Zuid Afrika, echter deze soorten bezitten steunbladstekels en de echte Medusa’s niet. Een tweede kenmerk van deze groep verwante soorten is verder dat de bovenste twee stekels geheel of gedeeltelijk vergroeid zijn tot één stekel. Alle soorten worden door gespecialiseerde liefhebbers zeer gewaardeerd, hoewel ze in cultuur erg nukkig kunnen zijn.

De taxonomische plaats van de sectie Triacanthium binnen het geslacht Euphorbia.
De afbakening van de Euphorbiaceae als één familie is het laatste decennium in botanische kringen geen onderwerp meer van verhitte discussies. Sinds het taxonomische overzicht van Grady L. Webster (1994) van Universiteit van Californië het daglicht heeft aanschouwd, is zijn indeling van de hogere taxa in de familie van de Euphorbiaceae algemeen aanvaard. Hij verdeelt de Euphorbiaceae in vijf onderfamilies, namelijk Phyllanthoideae, Oldfieldiodeae, Acalyphoideae, Crotonoideae en expliciet de Euphorbioideae. Deze laatste onderfamilie bestaat weer uit 5 stammen (triben), waarvan de stam (tribus) Euphorbieae voor ons de belangrijkste is. De tribus Euphorbieae wordt verdeeld in drie onderstammen (subtriben), en deze zijn niet om op te enten; Anthosteminae, Neoguillaminiinae en Euphorbiinae. Over de hogere taxa mag dan overeenstemming van botanici zijn, over de indeling van het subtribus Euphorbiinae in lagere taxa is dit nog lang niet het geval. Deze lagere taxa zijn achtereenvolgens onderverdeeld in secties, subsecties, geslachten (genera), ondergeslachten (subgenera), soorten (species), ondersoorten (subspecies), variëteiten (varietates) en vormen (formae). De meeste discussie betreft het geslacht Euphorbia, de wolfsmelkachtigen, welke veruit de bekendste is en het overgrote deel van de succulente soorten bevat.
In het overbekende standaardwerk van Hermann Jacobsen (1977) worden de succulente soorten in drie groepen verdeeld, namelijk de Pedunculacanthae, de Stipulacanthae en het Complex M. Dit laatste Complex M bevat de soorten uit Madagaskar, waarmee hij kennelijk niet goed raad wist, want dit is een zeer gevarieerde groep. De Stipulacanthae, welke zich kenmerkt door het bezit van steunbladstekels ofwel stipulaarstekels, wordt in vier Secties onderverdeeld al naargelang het aantal aanwezige stekels per bladvoet, namelijk één (Monacanthium Chev.), twee (Diacanthium Boiss.), drie (Triacanthium Jacobs.) of vier (Tetracanthium Jacobs.). Zoals u ziet is het maken van een botanische indeling voor een ieder weggelegd die de vingers van één hand kan tellen. Het plaatsen van een soort in de goede sectie blijkt vervolgens heel wat lastiger. Zo dankt de sectie Monacanthium haar naam aan de soort Euphorbia monacantha en ook in deze geplaatst werd. Deze soort is echter nauw verwant aan de soorten in de sectie Triacanthium. Dit geldt ook voor Euphorbia immersa. Van de overgebleven soorten in de sectie Monacanthium, met als bekendste soort Euphorbia venenifica, is het maar de vraag of deze behoren tot de Stipulacanthae en zijn op zijn minst een heel aparte en afwijkende groep.
De sectie Triacanthium bestaat niet uit een homogene groep soorten, maar laat zich in twee groepen verdelen. Een aantal soorten hebben een meer zuidelijk verspreidingsgebied, vooral in Kenia, en ontberen de korte, verdikte hoofdspruit. Deze wil ik buiten de context van deze reeks artikelen houden. Dit zijn de soorten rond E. glochidiata en E. graciliramea. De groep verwante soorten, waar we ons in deze artikelserie meer in willen verdiepen, heeft een noordelijker verspreidingsgebied in vooral Ethiopië en Somalië. Dit zijn Euphorbia monacantha, (welke als naam de meeste bekendheid geniet, maar als plant vrijwel onbekend is), triaculeata, schizacantha, xylacantha, immersa, actinoclada, kalisana, awashensis, erigavensis, margaretiae, myrioclada. Verder wil ik nog twee in omloop zijnde planten bespreken, namelijk Euphorbia species nova Mrs. Ash en species 632.

Schema 1.
Indeling van de hogere taxa van de familie Euphorbiaceae.

Familie
Onderfamilie Stammen Onderstam Groep Sectie
           
Euphorbiaceae
Phyllanthoideae
       
  Oldfieldiodeae
       
  Acalyphoideae
       
  Crotonoideae
       
  Euphorbioideae
Euphorbieae
Anthosteminae
   
      Neoguillaminiinae
   
      Euphorbiinae
Pedunculacanthae
 
        Complex M
 
        Stipulacanthae Monacanthium
          Diacanthium
          Triacanthium
          Tetracanthium

Euphorbia schizacantha, aan de top in tweeën splitst. De genoemde opname laat een dichtvertakt plantje zien met een prachtige blauwe waas over de groene plantdelen en mooie zwarte stekels in de nieuwgroei.
Het is te hopen dat deze mooie soort alsnog ruimer beschikbaar komt voor de liefhebbers, want ze lijkt een mooie aanvulling op een Euphorbia-collectie.

 

Euphorbia myrioclada S. Carter

Deze soort is voor mij een grote onbekende en ook een beetje een raadsel. Geen enkele foto, noch planten in cultuur zijn mij bekend. De nieuwbeschrijving is de enige melding van haar bestaan, vergezeld van een tekening, die ik tot mijn beschikking heb. Susan Carter (1992) beschrijft hierin een soort met een tot 5 centimeter hoge en 2 centimeter dikke hoofdspruit, die vertakt in een dicht struikje van 30 centimeter hoog en 50 centimeter in diameter. Deze zijtakken zijn tot 8 millimeter dik en vertakken zelf ook vrijelijk. Oranjegele cyathia zijn niet erg opvallend binnen deze groep. Er worden slechts drie verzamelingen genoemd van deze soort, allen in het Woqooyi Galbeed gebied in Somalië, waarvan de eerste al in 1944, door Bally.
De schrijfster vergelijkt deze nieuwe soort met Euphorbia triaculeata uit Djibouti en Eritrea en schrijft dat deze laatste soort groter en grover is al haar onderdelen. Bij mij rijst sterk de vraag hoe dat dan zit met bijvoorbeeld Euphorbia species Lavranos 13176 uit Djibouti en de vele vergelijkbare klonen in cultuur, die nu vaak schuil gaan onder de naam E. (species affinis) triaculeata. Waarom Susan Carter deze soort beschreven heeft, zonder rekening te houden met de vele, volgens de beschrijving erg overeenkomstige planten uit andere gebieden, is voor mij een vraag. Zolang ik de echte Euphorbia myrioclada niet ken, kan ik hier geen antwoord op geven.

 

Euphorbia species nova Mrs.Ash.

Nu alle beschreven soorten aan de orde zijn geweest wil ik enkele vormen die in cultuur zijn en niet direct onder een bepaalde soort te plaatsen zijn, voor het voetlicht brengen. De eerste is Euphorbia species nova Mrs. Ash. Deze planten zijn in omloop gebracht door het International Succulent Institute onder haar nummer ISI 1201. Deze planten zijn ruimschoots vermeerderd en verspreid onder liefhebbers en het aardige is dat er vindplaats gegevens bij vermeld worden. Mrs. Ash heeft ze namelijk verzameld tussen Neghili en Filtu in het zuiden van Ethiopië. Opvallend was verder dat bewortelde takken aangeboden werden door het I.S.I. voor 5 Dollar en bewortelde hoofden voor 9,50 Dollar.
Deze planten kenmerken zich door opvallend grote gele cyathia met een wat groene zweem en zijn wat grover dan Euphorbia actinoclada. De genoemde vindplaats van deze planten ligt in het groeigebied van Euphorbia actinoclada. Deze laatste soort is, zoals reeds besproken, een zeer variabele soort. Het is zeer wel denkbaar dat Euphorbia species Mrs Ash slechts een opvallende verschijningsvorm is van Euphorbia actinoclada. Er zijn echter wel degelijk onderlinge verschillen en het is zeker van belang om deze vormen niet onderling te kruisen. Ook hier ligt nog een mooie taak voor aanvullend onderzoek door wetenschappers en dan vooral in het veld.

 

Euphorbia species 632.

Onder mijn collectienummer 632 is een Euphorbia vertegenwoordigd die duidelijk tot de hier behandelde groep planten behoort, maar welke ik niet kan plaatsen onder een van de besproken soorten. Deze planten vallen op omdat ze in cultuur struiken vormen tot wel een meter hoog. In de nieuwgroei zijn de doorns gitzwart en de hoofdstekel blijft vrij klein, maar is wel stevig en dik. Er zit een mooie blauwgrijze waas over de plant en ze kan bijzonder rijk bloeien met oranjegele cyathia. Helaas heeft ze nog nooit zaad gezet en ook geen enkele hoofdspruit willen vormen.
Daar de herkomst van deze kloon onbekend is, evenals haar natuurlijke standplaats, zal haar identiteit wel onbekend blijven. Echter deze afwijkende en mooie vorm wilde ik u niet onthouden en is wel degelijk een aanvulling op de verzameling.

Tot zover mijn verhandeling over een mooie en bijzondere groep Euphorbia’s uit meestal moeilijk toegankelijk gebieden. Ze vormen, ook voor de gespecialiseerde liefhebber, een uitdaging om succesvol gekweekt en vermeerderd te worden. De behandeling van deze planten is door de bril van een liefhebber gedaan, tot op heden heb ik geen van deze soorten in de vrije natuur mogen aanschouwen en dus wil ik op geen enkele manier een wetenschappelijke basis claimen voor de hier gedane opmerkingen.
Verder wil ik Mike Gilbert, Jaap Keijzer en Pjotr Lawant bedanken voor hun support en ik hoop dat deze prachtige groep planten mag verheugen in een toenemende belangstelling, zowel van liefhebbers als wetenschappers. Ik ben ervan overtuigd dat er nog spectaculaire nieuwe vondsten gedaan zullen worden en er nog diverse nieuwe soorten beschreven zullen worden.

Literatuur:

Bally, P. R. O., & Carter, S., Miscellaneous Notes on the Flora of Tropical East Africa, including Descriptions of New Taxa, 33 – 36, Candollea 21, blz. 365 – 373, 1967.
Carter, S., New Succulent Spiny Euphorbias from East Africa, Hooker’s Icones Plantarum, Vol. 39, Part 3, 1982.
Carter, S., New Taxa in Euphorbia subgen. Euphorbia from Eastern Tropical Africa, Kew Bulletin Vol. 42(2), 1986.
Carter, S., Problems of Distinction among Succulent Euphorbia Species from Eastern Tropical Africa, Botanical Journal of the Linnean Society, 94, blz. 67 – 78, 1987.
Carter, S., -Smith, A. R., Flora of Tropical East Africa, Euphorbiaceae (Part 2), 1988.
Carter, S., New Pair-spined Species of Euphorbia (Euphorbiaceae) from Somalia, Nordic Journal of Botany, 12, blz. 403 - 422, 1992.
Carter, S., Some Unresolved Problems among Somali Euphorbia Species, Collectanea Botanica (Barcelona) 21, blz. 57 – 66, 1992.
Chiovenda, Emilio, Euphorbiaceae, Flora Somala (I), Roma, 1929.
Gilbert, M. G., Notes on Euphorbia subgenus Euphorbia in Ethiopia, Collectanea Botanica (Barcelona) 21, blz. 67 – 77, 1992.
Jacobsen, Hermann, Lexicon of Succulent Plants, 1977.
Pax, F., Monographische übersicht über die Afrikanische Arten aus der Sektion Diacanthium der Gattung Euphorbia, Engler’s Bot. Jahrb. 34, 61 – 85, 1904.

Foto’s van de schrijver, tenzij anders vermeld.

Afbeelding 1.

Euphorbia species affinis triaculeata AJB 3 met mooie opvallende gekleurde cyathia.

Afbeelding 2.

Euphorbia species affinis triaculeata AJB 3 toont variatie in de bloemkleur.

Afbeelding 3.

Euphorbia species affinis triaculeata AJB D10. Een plant verkregen middels de twee-keer-stekken methode. Halverwege de hoofdspruit vormt ze nieuwe ‘zij’hoofdspruit naast de normale zijarmen.

Afbeelding 5
.
Euphorbia species affinis triaculeata uit Yemen, verkregen met de twee-keer-stekken methode en nog geen 10 centimeter hoog.

Afbeelding 6.

De mooiste vorm van Euphorbia schizacantha heeft een prachtige lichaamstekening. Dit is een geënte ‘zij’hoofdspruit.

Afbeelding 7.

De vrij grote en opvallend bloedrode cyathia verschijnen vaak en grote aantallen op Euphorbia schizacantha.

Afbeelding 9.

De naam, Euphorbia xylacantha, bij deze plant, afkomstig uit Oost Europa, is onzeker. Dit doet niets af van haar schoonheid.

Afbeelding 10.

Duidelijk is de medusa-groeiwijze te zien bij deze oude Euphorbia immersa van ongeveer 20 centimeter doorsnede te zien.

Afbeelding 11.

Een dichte bos zijarmen uit een centrale hoofdspruit geboren, Euphorbia immersa.

Afbeelding 12.

De hoofdspruit van Euphorbia immersa is amper te zien.

Afbeelding 14.

De meest in onze verzamelingen voorkomende vorm van Euphorbia actinoclada met de typisch zeegroene tekening. Vindplaats Negele, Ethiopië.

Afbeelding 15.

Bloei van Euphorbia actinoclada, de vorm van afbeelding 13.

Afbeelding 16.

Euphorbia actinoclada, onbekende herkomst, groen met heel weinig rood.

Afbeelding 17.

Deze bloeiende Euphorbia actinoclada heeft een helder groen lichaam.

Afbeelding 18.

Ook deze plant, in omloop gebracht door de heer Bulthuis als Euphorbia monacantha, is weer een andere vorm van E. actinoclada.

Afbeelding 19.

Grigsby Cactus heeft onder haar nummer GC-98’79 ook een Euphorbia monacantha verkocht, welke E. actinoclada had moeten heten. Echter in 1979 was deze nog niet beschreven.

Afbeelding 20
.
De bloei van Euphorbia actinoclada GC-98’79 is zeer overvloedig.

Afbeelding 21
.
De oorsprong van deze vorm is Slowakije en valt op door de heldergele cyathia en zwakke bedoorning.

Afbeelding 22.

De vorm door Specks in omloop gebracht als Euphorbia species affinis actinoclada kenmerkt zich eveneens door haar gemakkelijke bloei.

Afbeelding 23.

Deze Euphorbia species affinis actinoclada behoort ook binnen het soort-complex E. actinoclada. In het open hart is de hoofdspruit goed zichtbaar.

Afbeelding 24.

Soms is het hart geheel gesloten en zien we alleen zijarmen bij planten van dezelfde herkomst als van afbeelding 22.

Afbeelding 25
.
Euphorbia kalisana valt op door haar zeer forse doorns, helder groene takken met een gele tekening en haar heldergele vrij grote cyathia.

Afbeelding 26.

Heldergele cyathia van Euphorbia kalisana.

Afbeelding 27.

Zonder cyathia en ondergrondse hoofdspruit zijn er weinig verschillen met vele meerdere andere soorten uit deze vormengroep en Euphorbia awashensis. Deze plant is afkomstig uit de U.S.A. als Euphorbia monacantha.


Afbeelding 29.

Bij deze zaailing van Euphorbia erigavensis is goed te zien dat er eerst stekelschildjes met vier stekels gevormd worden.

Afbeelding 30.

Euphorbia species nova Mrs. Ash heeft grote geelgroene cyathia.

Afbeelding 31
.
Euphorbia species 632 maakt in de besproken vormengroep de grootste struiken met opvallende dikke stevige zwarte stekels.

Afbeelding 32
.
Ook als ze bloeit is Euphorbia species 632 een opvallende verschijning.

Afbeelding 33
.
Als de cyathia in dergelijke aantallen verschijnen maken ze hun kleine afmetingen meer dan goed.

 

 


spacer